Procenten: het geheel, het deel en het percentage
Procent betekent 'per honderd'. Bij elke procentsom heb je drie getallen: het geheel (dat is 100%), het deel daarvan en het percentage dat aangeeft hoeveel honderdsten dat deel is. Ken je er twee, dan reken je de derde uit. Op school leer je dat vaak met de verhoudingstabel; de formules hieronder doen precies hetzelfde.
| Gevraagd | Formule | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Deel | geheel × percentage ÷ 100 | 15% van 80 = 12 |
| Percentage | deel ÷ geheel × 100 | 30 van 120 = 25% |
| Geheel | deel × 100 ÷ percentage | 12 is 15% van 80 |
| Verandering | (nieuw − oud) ÷ |oud| × 100 | van 50 naar 65 = +30% |
Het geheel heb je minder vaak nodig, maar het zit in een bekende vraag: wat kostte iets vóór de verhoging? Dan deel je door (1 + percentage ÷ 100). Zo haal je ook de btw uit een prijs.
Voorbeelden uit het dagelijks leven
Btw erbij optellen: een klus van de schilder kost € 250 exclusief btw. Met het hoge tarief van 21% is de btw 0,21 × 250 = € 52,50 en betaal je € 302,50. Voor de meeste boodschappen en een aantal andere producten en diensten geldt het lage tarief van 9%.
Btw uit een prijs halen: een televisie kost € 799 inclusief btw. Zonder btw is dat 799 ÷ 1,21 = € 660,33; de btw is € 138,67. Een veelgemaakte fout is gewoon 21% van € 799 aftrekken. Dat geeft € 631,21 en dat is te weinig, omdat die 21% over de prijs zonder btw gaat.
Korting: een jas van € 89,99 is 30% afgeprijsd. Je betaalt 89,99 × 0,70 = € 62,99 en bespaart € 27,00.
Loonsverhoging: je brutoloon gaat van € 3.200 naar € 3.360 per maand. (3.360 − 3.200) ÷ 3.200 × 100 = een stijging van 5%. Vergelijk dat met de inflatie om te zien of je er echt op vooruitgaat.
Toets: 42 van de 48 punten is 42 ÷ 48 × 100 = 87,5%. Welk cijfer dat is, zie je met cijfer berekenen.
Procent of procentpunt?
Gaat een partij in de peilingen van 10% naar 12%, dan wint ze 2 procentpunten. Haar aanhang is dan wel met 20 procent gegroeid, want 2 is 20% van 10. Hetzelfde geldt voor rentes: stijgt de hypotheekrente van 3% naar 4%, dan is dat één procentpunt erbij, maar een stijging van 33,3%. Voor het gewone verschil tussen twee percentages is 'procentpunt' het juiste woord.
Waarom +50% en −50% elkaar niet opheffen
Een procentuele verandering gaat altijd uit van de beginwaarde. Stijgt een aandeel van € 100 met 50%, dan staat het op € 150. Daalt het daarna met 50%, dan kom je uit op € 75 – niet weer op € 100. Om een stijging van p% ongedaan te maken, is een daling van p ÷ (100 + p) × 100% nodig. Na +25% is −20% dus genoeg om weer bij het begin uit te komen.
Handig uit je hoofd rekenen
- 10%: komma één plaats naar links (10% van 230 = 23).
- 5%: de helft van 10% (5% van 230 = 11,5).
- 1%: komma twee plaatsen naar links (1% van 230 = 2,3).
- 21%: 20% plus 1% (21% van 300 = 60 + 3 = 63).
- Omdraaitruc: X% van Y is hetzelfde als Y% van X – 8% van 50 is 50% van 8, dus 4.
Veelgestelde vragen
Hoe bereken ik een percentage van een getal?
Deel het percentage door 100 en vermenigvuldig met het getal. 20% van 150 is 0,20 × 150 = 30.
Hoeveel procent is het ene getal van het andere?
Deel het deel door het geheel en vermenigvuldig met 100. 45 van 60 is 45 ÷ 60 × 100 = 75%.
Hoe bereken ik een procentuele stijging?
Trek de oude waarde af van de nieuwe, deel door de oude waarde en vermenigvuldig met 100. Van 80 naar 100 is (100 − 80) ÷ 80 × 100 = 25%.
Hoe haal ik de btw uit een prijs?
Deel de prijs inclusief btw door 1,21 (bij het lage tarief door 1,09). Van € 121 inclusief blijft zo € 100 zonder btw over; het verschil van € 21 is de btw.
Kan een percentage hoger zijn dan 100%?
Ja. Een getal kan groter zijn dan het geheel waarmee je het vergelijkt – 150 is 150% van 100 – en prijzen kunnen met meer dan 100% stijgen. Alleen een deel van een vast geheel, zoals het aantal goede antwoorden op een toets, stopt bij 100%.
Laatst bijgewerkt: 8 oktober 2026