Zo gebruik je de calculator
Kies eerst wat je zoekt. Voor de molariteit vul je de afgewogen massa en het eindvolume van de oplossing in. Af te wegen massa geeft aan hoeveel gram je nodig hebt voor een gewenste concentratie en volume – de taak die je in het practicumlokaal en het lab het vaakst tegenkomt. Volume vertelt tot hoeveel je een bepaalde massa moet aanvullen, en molaire massa uit een meting rekent terug vanuit een oplossing met bekende concentratie. De laatste keuze, molariteit uit massa-% en dichtheid, zet de gegevens op een fles geconcentreerd zuur of ammonia om in mol per liter.
Typ de formule van de opgeloste stof; de calculator bepaalt zelf de molaire massa. Haakjes werken (Ca(OH)2, Al2(SO4)3, [Cu(NH3)4]SO4), net als hydraten met een punt (CuSO4·5H2O, MgSO4·7H2O – een gewone punt of een sterretje mag ook) en subscriptcijfers die je uit een document plakt (H₂SO₄). Hoofdletters doen ertoe: Co is kobalt, CO is koolstofmono-oxide. Voor een eiwit, een polymeer of een reagens dat als mengsel wordt verkocht, vul je de molaire massa van het etiket of certificaat in het optionele veld in.
De formules
De molariteit is de chemische hoeveelheid opgeloste stof per liter oplossing: c = n ÷ V, in mol/L (in BINAS mol L⁻¹, vaak afgekort tot M; de concentratie van stof X schrijf je ook als [X]). Het aantal mol volgt uit de massa: n = m ÷ M, met M de molaire massa in g/mol – niet te verwarren met de eenheid M voor mol/L. Samen geven ze m = c × V × M – de massa die je afweegt – en alle andere varianten die de calculator gebruikt. V is het volume van de kant-en-klare oplossing, niet het volume water waarmee je begint: een opgeloste vaste stof verandert het volume, en daarom vul je een oplossing in een maatkolf aan tot de streep.
Voor een geconcentreerd reagens weegt één liter 1000 × ρ gram, en daarvan is het massapercentage w opgeloste stof. Zo krijg je c = w × 10 × ρ ÷ M (w in %, ρ in g/mL) – de berekening ‘molariteit met dichtheid’. Zoutzuur van 37% met een dichtheid van 1,19 g/mL is 37 × 10 × 1,19 ÷ 36,458 ≈ 12,08 mol/L.
Rekenvoorbeelden
- Concentratie: 29,22 g natriumchloride (NaCl, 58,44 g/mol) is 0,5000 mol. In 500 mL oplossing is dat 0,5 ÷ 0,5 = 1,000 mol/L; in 2 L is het 0,25 mol/L.
- Af te wegen massa: voor 500 mL 0,1 M NaCl heb je 0,1 × 0,5 × 58,44 = 2,922 g nodig.
- Glucose: C6H12O6 heeft een molaire massa van 6 × 12,011 + 12 × 1,008 + 6 × 15,999 = 180,16 g/mol. Voor 250 mL van 0,20 M weeg je 0,20 × 0,250 × 180,16 = 9,008 g af.
- Hydraat: koper(II)sulfaatpentahydraat, CuSO4·5H2O, is 249,68 g/mol – het kristalwater voegt 90,08 g/mol toe. Weeg je het hydraat af met de molaire massa van het watervrije zout (159,60 g/mol), dan wordt je oplossing ongeveer 36% zwakker dan bedoeld.
- Zwavelzuur: H2SO4 = 2 × 1,008 + 32,06 + 4 × 15,999 = 98,072 g/mol (oudere tabellen met 1,00794 voor waterstof geven 98,079).
Molariteit en pH
Bij een sterk zuur dat volledig ioniseert, zoals zoutzuur, is de concentratie H3O+ gelijk aan de molariteit van het zuur. Dan geldt pH = −log [H3O+]: 0,010 M HCl heeft pH 2, en omgekeerd hoort bij pH 3 een molariteit van 10−3 = 0,0010 mol/L. Bij zwavelzuur (twee H+ per molecuul) en bij zwakke zuren zoals azijnzuur klopt die eenvoudige regel niet; daar heb je de zuurconstante Kz nodig.
Molaire massa, molecuulmassa en eenheden
De molaire massa in g/mol is getalsmatig gelijk aan de molecuulmassa (of formulemassa) in u die op etiketten staat. Een mmol/L (mM) is een duizendste mol/L en een µmol/L (µM) een miljoenste; g/L is gelijk aan mg/mL. De tabel onder het resultaat splitst de molaire massa per element, met het massapercentage van elk element – handig om een formule te controleren of een massasamenstelling uit te rekenen.
Gebruikte atoommassa’s
De calculator gebruikt de standaardatoommassa’s van de IUPAC-commissie voor isotopenabundanties en atoommassa’s (CIAAW, Atomic Weights 2021, met de herzieningen van 2024 voor gadolinium, lutetium en zirkonium). Elementen waarvan de atoommassa in de natuur varieert, zoals waterstof, koolstof, zuurstof en chloor, krijgen de conventionele waarden van IUPAC. Elementen tussen vierkante haken hebben geen standaardatoommassa; daarvoor geldt het massagetal van de langstlevende isotoop, zoals in het periodiek systeem. Kleine verschillen met BINAS komen doordat BINAS soms meer of minder decimalen geeft.
| Z | Symbool | Atoommassa | Z | Symbool | Atoommassa |
|---|---|---|---|---|---|
| 1 | H | 1,008 | 47 | Ag | 107,8682 |
| 2 | He | 4,002602 | 48 | Cd | 112,414 |
| 3 | Li | 6,94 | 49 | In | 114,818 |
| 4 | Be | 9,0121831 | 50 | Sn | 118,71 |
| 5 | B | 10,81 | 51 | Sb | 121,76 |
| 6 | C | 12,011 | 52 | Te | 127,6 |
| 7 | N | 14,007 | 53 | I | 126,90447 |
| 8 | O | 15,999 | 54 | Xe | 131,293 |
| 9 | F | 18,998403162 | 55 | Cs | 132,90545196 |
| 10 | Ne | 20,1797 | 56 | Ba | 137,327 |
| 11 | Na | 22,98976928 | 57 | La | 138,90547 |
| 12 | Mg | 24,305 | 58 | Ce | 140,116 |
| 13 | Al | 26,9815384 | 59 | Pr | 140,90766 |
| 14 | Si | 28,085 | 60 | Nd | 144,242 |
| 15 | P | 30,973761998 | 61 | Pm | [145] |
| 16 | S | 32,06 | 62 | Sm | 150,36 |
| 17 | Cl | 35,45 | 63 | Eu | 151,964 |
| 18 | Ar | 39,95 | 64 | Gd | 157,249 |
| 19 | K | 39,0983 | 65 | Tb | 158,925354 |
| 20 | Ca | 40,078 | 66 | Dy | 162,5 |
| 21 | Sc | 44,955907 | 67 | Ho | 164,930329 |
| 22 | Ti | 47,867 | 68 | Er | 167,259 |
| 23 | V | 50,9415 | 69 | Tm | 168,934219 |
| 24 | Cr | 51,9961 | 70 | Yb | 173,045 |
| 25 | Mn | 54,938043 | 71 | Lu | 174,96669 |
| 26 | Fe | 55,845 | 72 | Hf | 178,486 |
| 27 | Co | 58,933194 | 73 | Ta | 180,94788 |
| 28 | Ni | 58,6934 | 74 | W | 183,84 |
| 29 | Cu | 63,546 | 75 | Re | 186,207 |
| 30 | Zn | 65,38 | 76 | Os | 190,23 |
| 31 | Ga | 69,723 | 77 | Ir | 192,217 |
| 32 | Ge | 72,63 | 78 | Pt | 195,084 |
| 33 | As | 74,921595 | 79 | Au | 196,96657 |
| 34 | Se | 78,971 | 80 | Hg | 200,592 |
| 35 | Br | 79,904 | 81 | Tl | 204,38 |
| 36 | Kr | 83,798 | 82 | Pb | 207,2 |
| 37 | Rb | 85,4678 | 83 | Bi | 208,9804 |
| 38 | Sr | 87,62 | 84 | Po | [209] |
| 39 | Y | 88,905838 | 85 | At | [210] |
| 40 | Zr | 91,222 | 86 | Rn | [222] |
| 41 | Nb | 92,90637 | 87 | Fr | [223] |
| 42 | Mo | 95,95 | 88 | Ra | [226] |
| 43 | Tc | [97] | 89 | Ac | [227] |
| 44 | Ru | 101,07 | 90 | Th | 232,0377 |
| 45 | Rh | 102,90549 | 91 | Pa | 231,03588 |
| 46 | Pd | 106,42 | 92 | U | 238,02891 |
Tips voor nauwkeurige oplossingen
- Controleer de formule op de fles, vooral het kristalwater: Na2CO3, Na2CO3·H2O en Na2CO3·10H2O hebben drie verschillende molaire massa’s.
- Corrigeer voor de zuiverheid: is een stof 98% zuiver, deel de massa dan door 0,98.
- De molariteit verandert een beetje met de temperatuur, omdat het volume dat doet; de molaliteit (mol per kg oplosmiddel) niet.
- Wil je een zwakkere oplossing maken uit een stamoplossing, gebruik dan verdunning berekenen (C₁V₁ = C₂V₂).
Veelgestelde vragen
Hoe bereken je de molariteit?
Deel het aantal mol opgeloste stof door het volume van de oplossing in liter: c = n ÷ V. Ken je de massa, bereken dan eerst het aantal mol met n = m ÷ M, met de molaire massa uit de formule.
Hoeveel gram heb ik nodig voor een 1 M oplossing?
Voor één liter weeg je de molaire massa in grammen af: 58,44 g NaCl of 40,00 g NaOH, oplossen en aanvullen tot 1 L. Voor andere volumes en concentraties gebruik je m = c × V × M.
Hoe vul ik een hydraat als CuSO4·5H2O in?
Typ de punt (·), een gewone punt of een sterretje tussen het zout en het water: CuSO4·5H2O, CuSO4.5H2O en CuSO4*5H2O geven alle drie 249,68 g/mol.
Wat is het verschil tussen molariteit en molaliteit?
Molariteit is mol per liter oplossing, molaliteit mol per kilogram oplosmiddel. Voor verdunde oplossingen in water bij kamertemperatuur liggen ze dicht bij elkaar.
Hoe bereken je de molariteit met dichtheid en massapercentage?
Kies ‘Molariteit uit massa-% en dichtheid’: c = w × 10 × ρ ÷ M. Voor zwavelzuur van 96% met een dichtheid van 1,84 g/mL is dat ongeveer 18 mol/L.
Laatst bijgewerkt: 19 oktober 2026