Zo gebruik je de calculator
Kies de grootheid die je zoekt – meestal het volume stamoplossing dat je moet pipetteren – en vul de andere drie waarden in. Elke concentratie en elk volume heeft een eigen eenheid, dus je verdunt een 1 M stamoplossing tot 250 mL van 50 mM, of 2 mL van een standaard van 0,1 mg/mL tot 20 mL, zonder zelf om te rekenen. Het resultaat geeft aan hoeveel stamoplossing je afmeet en hoeveel verdunningsmiddel (water, buffer of oplosmiddel) erbij moet, samen met de verdunningsfactor.
Beide concentraties moeten dezelfde soort eenheid hebben: molair (M, mM, µM, nM), massa per volume (mg/mL en µg/mL – gelijk aan g/L en mg/L), procent, of ‘×’ voor buffers die als 10×- of 50×-concentraat worden verkocht. Van mg/mL naar mol/L heb je de molaire massa nodig; die stap zet je met molariteit berekenen.
De verdunningsformule C₁V₁ = C₂V₂
Bij verdunnen voeg je oplosmiddel toe, maar geen opgeloste stof. De hoeveelheid opgeloste stof is voor en na dus gelijk: C₁ × V₁ = C₂ × V₂. C₁ en V₁ zijn de concentratie en het volume van de stamoplossing die je afneemt; C₂ en V₂ de concentratie en het totale volume van de verdunde oplossing. Omgeschreven: V₁ = C₂V₂ ÷ C₁, C₂ = C₁V₁ ÷ V₂, V₂ = C₁V₁ ÷ C₂ en C₁ = C₂V₂ ÷ V₁. Met molariteiten schrijf je dezelfde vergelijking ook als M₁V₁ = M₂V₂.
Verdunningsfactor en wat 1:10 betekent
De verdunningsfactor is C₁ ÷ C₂ = V₂ ÷ V₁. Een tienvoudige verdunning betekent één deel stamoplossing op tien delen in totaal – in het lab en in de zorg geschreven als 1:10, dus 1 deel stamoplossing plus 9 delen verdunningsmiddel. Op schoonmaakmiddelen, plantenvoeding en verf staat vaak de verhouding concentraat : water; daar betekent 1:10 meestal 1 deel concentraat op 10 delen water, dus 11 delen in totaal. De calculator toont beide, kijk dus goed welke je voorschrift bedoelt.
Rekenvoorbeelden
- Molaire stamoplossing: voor 500 mL van 0,1 M uit een stamoplossing van 1 M is V₁ = 0,1 × 500 ÷ 1 = 50 mL, aangevuld met 450 mL water – een tienvoudige verdunning.
- Verschillende eenheden: 1 L van 50 mM uit 1 M: 50 mM = 0,05 M, dus V₁ = 0,05 × 1000 ÷ 1 = 50 mL.
- Bufferconcentraat: 100 mL van een 10×-buffer aangevuld tot 1 L geeft een 1×-werkbuffer.
- Alcohol verdunnen: voor 100 mL alcohol van 70% uit alcohol van 96% neem je 70 × 100 ÷ 96 = 72,9 mL en vul je aan tot 100 mL. Giet je er gewoon 27,1 mL water bij, dan kom je door volumekrimp (alcohol en water nemen samen iets minder ruimte in) net onder de 100 mL uit; vul daarom aan tot de streep.
- Percentage halveren: 100 mL van 70% verdund tot 35% eindigt op 200 mL.
Medisch rekenen met percentages
In de zorg wordt een oplossing vaak in procent uitgedrukt. Bij vaste stof in water is dat meestal massa per volume: 1% = 1 g per 100 mL = 10 mg/mL. Een glucose-infuus van 5% bevat dus 50 g glucose per liter. Ook hier geldt C₁V₁ = C₂V₂: wil je 500 mL van 0,5% maken uit een oplossing van 5%, dan neem je 0,5 × 500 ÷ 5 = 50 mL en vul je aan tot 500 mL (verdunningsfactor 10). Wil je mg/mL gebruiken, reken het percentage dan eerst om met ×10: 0,9% NaCl is 9 mg/mL. Volg bij geneesmiddelen altijd de productinformatie en de protocollen van je instelling; deze calculator controleert alleen het rekenwerk.
Seriële verdunning
Bij een seriële verdunning (verdunningsreeks) herhaal je steeds dezelfde stap: elke buis krijgt een vast volume uit de vorige buis en wordt aangevuld met verdunningsmiddel, zodat de concentratie telkens met dezelfde factor daalt. Zo maak je ijklijnen, antistoftitraties en kiemgetallen van bacteriën, waar één enkele grote verdunning onmogelijk kleine volumes zou vragen. De tabel begint bij de concentratie C₁ van de stamoplossing en gebruikt V₂ als volume per buis: bij een tienvoudige reeks met buizen van 500 mL breng je 50 mL over en voeg je 450 mL verdunningsmiddel toe. Zes tienvoudige stappen brengen een stamoplossing van 1 M naar 1 µM (1 : 1.000.000). Meng elke buis goed voor de volgende overdracht en neem telkens een nieuwe pipetpunt.
Praktische tips
- Vul aan tot het eindvolume in een maatkolf in plaats van een berekend volume water toe te voegen: volumes van ethanol en water, en van sterke zuren, zijn niet precies optelbaar.
- Altijd eerst het water, dan het zuur – nooit water bij geconcentreerd zuur gieten.
- Volumes onder ongeveer 2 µL zijn lastig nauwkeurig te pipetteren; maak eerst een tussenverdunning of kies een groter eindvolume.
- Gebruik een volpipet of een gekalibreerde automatische pipet voor V₁; een maatcilinder is voor nauwkeurig werk te grof.
Veelgestelde vragen
Hoe bereken ik hoeveel stamoplossing ik nodig heb?
Vermenigvuldig de eindconcentratie met het eindvolume en deel door de concentratie van de stamoplossing: V₁ = C₂ × V₂ ÷ C₁. Voor 500 mL van 0,1 M uit 1 M is dat 50 mL.
Hoeveel water moet ik toevoegen?
Het eindvolume min het volume stamoplossing, V₂ − V₁ – in het voorbeeld hierboven 450 mL. In de praktijk doe je de stamoplossing in een maatkolf en vul je aan tot de streep.
Wat betekent een verdunning van 1:10?
Eén deel stamoplossing op tien delen in totaal (1 deel stamoplossing plus 9 delen verdunningsmiddel), zodat de concentratie een tiende wordt. Op sommige etiketten betekent 1:10 juist 1 deel concentraat op 10 delen water – lees het voorschrift.
Hoe bereken je een verdunningsfactor?
Deel de beginconcentratie door de eindconcentratie, of het eindvolume door het volume stamoplossing: f = C₁ ÷ C₂ = V₂ ÷ V₁. 10 mL aangevuld tot 250 mL is een verdunningsfactor van 25.
Kan ik C₁V₁ = C₂V₂ gebruiken met procenten of mg/mL?
Ja, zolang C₁ en C₂ dezelfde soort eenheid hebben. Voor de stap tussen molaire eenheden en mg/mL heb je eerst de molaire massa nodig.
Laatst bijgewerkt: 19 oktober 2026